EN | NL | DE | FR

"Als kinderarts en mama van Karen, die op de leeftijd van 3 maanden overleed aan wiegendood ben ik jullie dankbaar voor het ontwikkelen van een website en het ondersteunen van wetenschappelijk onderzoek omtrent wiegendood."

 

Myriam Azou

Inloggen
powered by duotix

 

 

 

 

Prof. dr. Gunnar Naulaers
diensthoofd neonatologie

UZ Leuven | campus Gasthuisberg | Herestraat 49 | B - 3000 Leuven | www.uzleuven.be
 

 

Wiegendood is het plots, onverwacht overlijden van een kind jonger dan 1 jaar waarbij uitgebreide onderzoeken geen doodsoorzaak kunnen weergeven. Het overlijden komt meestal voor in de slaap.

De oorzaak van wiegendood is ongekend. Het beste model om wiegendood te beschrijven is het driecirkelmodel waarbij gesteld wordt dat het een kwetsbaar kind betreft dat tijdens de kritischeperiode in de ontwikkeling (het eerste levensjaar) wordt geconfronteerd met exogene stressoren en als combinatie van dit alles overlijdt.                                                                                                                                                                                                                                               

 

Het aspect van de kwetsbare baby betreft de onderliggende oorzaak van wiegendood. Er werden in de laatste jaren verschillende aanwijzingen gevonden in kader van wiegendood. Er werden verschillende genetische variaties (polymorfismen) beschreven die meer aanwezig zijn bij kinderen die overlijden aan wiegendood. Verder werden ook afwijkingen in de hersenstam beschreven, meer bepaald in de regio van het ademhalingsstelsel en de arousal (wekrespons). Er zijn meer en meer aanwijzingen waaruit blijkt dat deze kinderen geen goede arousal vertonen in een levensbedreigende situatie, waardoor zijniet adequaat reageren. Tenslotte worden bij 5% van deze kinderen ook afwijkingen in het geleidingssysteem van het hart gevonden, die de plotse dood zouden kunnen verklaren.  Tot op heden zijn er geen testen die aangeven welk kind een hoger risico heeft op wiegendood.

Per definitie komt wiegendood voor in het eerste levensjaar. In dit jaar is er een belangrijke fase van hersengroei- en rijping. Verder is er ook een toename in de vetlaag waardoor de temperatuurregeling van het lichaam belangrijk verandert. Ook het autonome zenuwstelsel rijpt verder uit in het eerste levensjaar.

De laatste cirkel betreft de exogene factoren. Uit epidemiologisch onderzoek werd aangetoond dat bepaalde factoren meer voorkomen bij kinderen die overleden aan wiegendood. Deze factoren zijn de buiklig, roken, een verhoogde omgevingstemperatuur en de bedomgeving. Hierop werden preventiecampagnes toegepast om deze factoren te voorkomen. Sedert het starten van deze campagnes werd duidelijk aangetoond dat het voorkomen van wiegendood belangrijk daalde en dit in verschillende landen. Ook in Vlaanderen werd hetzelfde patroon gezien na het opstarten van de campagne in 1993.

 

Niettegenstaande het grote succes van deze campagnes, blijft wiegendood de belangrijkste oorzaak van overlijden bij baby’s. Verder onderzoek naar de oorzaak van wiegendood en naar het voorspellen van wiegendood blijft dus nodig.

 

Op dit moment kunnen we alleen maar trachten wiegendood te voorkomen door de preventiemaatregelen strikt toe te passen voor alle baby’s, gezien we niet weten wie een hoger risico heeft. Dit zijn de volgende maatregelen :

 

1.       Ruglig

Buiklig heeft een hoog risico op wiegendood en moet absoluut vermeden worden. Ook zijlig geeft een hoger risico op wiegendood. Dit omdat deze baby’s naar de buik kunnen draaien. Alle baby’s moeten dus vanaf de geboorte op de rug te slapen gelegd worden. Dit is trouwens de meest natuurlijke houding voor de baby.

 

2.       Roken

Roken tijdens de zwangerschap verhoogt het risico op wiegendood. Ook roken na de geboorte (zowel door de moeder als door de vader) geeft een verhoogd risico. Er is een rechtstreeks verband met het aantal sigaretten dat gerookt wordt in de omgeving en het risico op wiegendood.

 

3.       Temperatuur

Gezien verhoogde omgevingstemperatuur ook een risicofactor is, wordt aangeraden om de kamertemperatuur de eerste 8 weken op 20 graden en vanaf twee maanden op 18 graden te behouden. Donsdekens worden vermeden, gezien deze de lichaamstemperatuur veel meer verhoogt dan klassieke dekens of slaapzakken.

 

4.       Toezicht

Regelmatig en rechtstreeks toezicht tijdens elke slaapperiode is de enige betrouwbare manier van controle van een slapend kind. Epidemiologisch onderzoek toont aan dat co-sleeping (ouders en kind slapen in dezelfde kamer maar in een afzonderlijk bed) tot de leeftijd van zes maanden de kans op wiegendood verlaagt.

 

5.       Bedmateriaal

Een veilige slaapplaats is een bed waarin goede ventilatie rondom mogelijk is, dus zowel via de wanden als via de bodem.

Dekbedden worden vermeden en verder alle andere materiaal (kussen, teddyberen, knuffels,…) waarbij de baby kan verstikt worden.

Advies voor het juiste bedmateriaal kan verkregen worden bij Kind en Gezin.

 

6.       Bed-sharing of samen slapen

Alhoewel dit  gebruik bij veel volkeren wordt toegepast, wordt toch een hoger risico waargenomen in de Westerse wereld. Dit komt voornamelijk omdat de bedden niet veilig zijn door het gebruik van donsdekens, kussens en zachte matrassen. Een tweede belangrijke factor is het gavaar dat de ouders oververmoeid zijn, rokers of gesedeerd door het gebruik van alcohol of drugs. Het samen slapen met ouders moet bijgevolg vermeden worden en dit zeker op andere plaatsen zoals een zetel of sofa.

 

7.       Plotse verandering in de omgeving

In de laatste jaren sterven meer kinderen aan wiegendood bij de onthaalmoeder of in de crèche. Dit komt vooral meer voor in de eerste dagen dat de baby in de crèche is. Daarom is het aangewezen het verblijf in de opvang geleidelijk aan voor te bereiden met enkele bezoeken en korte verblijven ter gewenning.

 

8.       Medicatie

Het gebruik van hoestsiropen moet vermeden worden, gezien deze vaak stoffen bevatten die sederend werken en een ademhalingsdepressie kunnen veroorzaken.

 

 

Andere factoren zijn het gebruik van speentjes en het vermijden van grote hoogtes (boven 2000 meter).

 

Het uitvoeren van een polysomnografie (‘wiegendoodtest’) heeft geen enkele voorspellende waarde. Ook het gebruik van monitoren heeft de incidentie van wiegendood niet verminderd. Deze monitoren worden enkel gebruikt bij kinderen die een onrijpe ademhalings- en hartritmepatroon vertonen en bijgevolg een hoger risico hebben als er een acuut moment optreedt.

 

Wiegendood is een aandoening met meest waarschijnlijk verschillende oorzaken. Enkel door verder onderzoek kunnen de oorzaken verder worden gevonden worden. Op dit moment zijn het toepassen van de preventiemaatregelen het enige doeltreffende gebleken om het voorkomen van wiegendood te verminderen.

deze website kwam tot stand door steun van onze sponsors